Uit de profeet Amos 5,14-15.21-24.
Zoekt het goede en niet het kwade: dan zult gij leven, dan zal de Heer, de God van de machten, met u zijn, zoals gij altijd zegt.
Haat het kwade, hebt het goede lief en handhaaft het recht in de stadspoort; misschien zal dan de Heer, de God van de machten, zich over de rest van Jozef ontfermen.
Ik haat, Ik verfoei uw feesten, uw vieringen kan Ik niet luchten.
De brandoffers en meeloffers die gij Mij brengt behagen Mij niet; uw vredeoffers van gemeste kalveren kan Ik niet meer aanzien.
Spaar Mij het lawaai van uw liederen; de klank van uw harpen wil Ik niet meer horen!
Neen, het recht moet stromen als water, de gerechtigheid al een nooit uitdrogende beek.
Psalmen 50(49),7.8-9.10-11.12-13.16bc-17.
Hoor nu, mijn volk, wat Ik u zeggen ga,
Hoor Israël, waarvan Ik u beschuldig,
want Ik ben ben God, uw God:
Ik maak u over offers geen verwijt:
uw offerdieren zie Ik aldoor branden.
Ik wil geen stier meer hebben uit uw huizen
en rammen uit uw schaapskooi vraag Ik niet.
Want Mij behoren alle dieren in het woud,
de duizenden die op mijn bergen zwerven.
De vogels in de lucht Ik ken ze allen,
Van Mij is wat rondloop op het veld.
Ik zou het u niet zeggen als Ik honger had,
Ik kan beschikken over al wat leeft op aarde.
Zou Ik soms vlees van stieren eten,
of bloed van bokken nuttigen als drank?
Wat spreekt gij aldoor over mijn geboden
en hebt ge mijn verbond steeds op de tong?
Gij die van tucht een afkeer hebt
en nimmer acht slaat op mijn woorden.
Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 8,28-34.
Toen Jezus aan de overkant van het meer gekomen was, in het land der Gadarenen,
liepen Hem twee bezetenen tegemoet; zij kwamen uit de grafspelonken te voorschijn
en waren zeer gevaarlijk, zodat niemand daarlangs kon gaan.
Plotseling begonnen ze te schreeuwen: 'Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God?
Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te kwellen?'
Een eind van hen vandaan was men een grote kudde zwijnen aan het hoeden.
De duivels nu smeekten Hem: 'Als Gij ons uitdrijft, stuur ons dan in die kudde zwijnen.'
Hij zei hun: 'Gaat heen.' En zij verlieten hen. Nauwelijks hadden zij bezit genomen van de zwijnen,
of de hele kudde stortte zich van de steile oever in het meer en kwam in het water om.
De zwijnenhoeders namen de vlucht, en in de stad gekomen vertelden zij alles,
ook wat er met de bezetenen gebeurd was.
Daarop liep de hele stad uit, Jezus tegemoet; en toen zij Hem zagen,
verzochten zij Hem hun streek te verlaten.