Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi 1,1-11.
Van Paulus en Timoteus, dienstknechten van Christus Jezus,
aan alle heiligen in Christus Jezus te Filippi met hun episkopen en diakens.
Genade voor u en vrede vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus!
Broeders en zuster, ik dank mijn God telkens wanneer ik u aan u denk,
altijd, bij al mijn gebeden voor u allen.
En ik verricht mijn gebed met blijdschap, omdat gij van de eerste dag tot nu toe
uw deel hebt bijgedragen tot de prediking van het evangelie.
Ik ben er zeker van dat Hij die het goede werk in u begonnen is,
het zal voltooien tegen de dag van Christus Jezus.
Het spreekt ook vanzelf dat ik zo over u allen denk, want ik draag u in mijn hart,
u allen die in mijn gevangenschap bij de verdediging en bekrachtiging van het evangelie
deelt in de genade die mij gegeven wordt.
God weet hoe vurig ik naar u allen verlang, met de innigheid van Christus Jezus zelf.
En dit is mijn bede: moge uw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid,
om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult gij op de dag van Christus
ongerept en onberispelijk zijn,
verzadigd met de vrucht der gerechtigheid, die komt van Jezus Christus,
tot eer en lof van God.
Psalmen 111(110),1-2.3-4.5-6.
De Heer wil ik danken uit heel mijn hart,
te midden der vromen, voor heel de gemeente.
Geweldig is alles wat Hij verricht,
de aandacht boeiend van elk die het nagaat.
Mildheid en majesteit spreekt uit zijn daden,
eeuwig blijft Hij rechtvaardig en trouw.
Wonderen deed Hij om nooit te vergeten,
minzaam en liefdevol toont zich te Heer.
Voedsel geeft Hij aan die Hem vereren,
altijd herinnert Hij zich zijn verbond.
Hij toonde zijn volk de kracht van zijn daden
en gaf hen het heidense land in bezit.
Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 14,1-6.
Toen Jezus op een sabbat het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging
om de maaltijd te gebruiken, hielden zij Hem voortdurend in het oog.
Op een gegeven ogenblik werd Hij een man gewaar, die aan waterzucht leed.
Daarop richtte Jezus zich tot de wetgeleerden en Farizeeën met de vraag: 'Mag men op sabbat iemand genezen of niet?'
Maar zij zeiden niets. Daarop legde Hij zijn hand op hem, genas hem en liet hem heengaan.
Vervolgens keerde Hij zich tot hem met de woorden: 'Wie van u zal niet terstond als zijn zoon of zijn os in een put valt, hen eruit trekken, ook al is het sabbat?'
Ze waren niet in staat er iets tegen in te brengen.