Lezing uit het boek Klaagliederen 2,2.10-14.18-19.
Meedogenloos heeft de Heer het gebied van Jakob verwoest en in zijn woede heeft Hij de sterkten van Juda geslecht.
Eerloos zijn rijk en bestuurders ter aarde geworpen. Zwijgend zitten de oudsten van Sion neer op de grond,
in zakken gekleed en met as op het hoofd. Jeruzalems meisjes laten het hoofd hangen.
Mijn ogen zijn moe van geween; hoe branden mijn ingewanden, ontzonken is mij de moed
mijn volk is zozeer geslagen, kinderen en zuigelingen sterven op straat.
Zij vroegen hun moeder nog: “Waar is het brood en de wijn?” maar streden gewond
met de dood inde straten der stad, en gaven de geest op de schoot van hun moeder.
Wat kan ik nog zeggen, waarmee Jeruzalem, u vergelijken? Wat kan ik nog aanvoeren, Sion,
om u te troosten ? Uw wonden zijn groot als de zee en niemand die u geneest.
De visioenen van uw profeten zijn leugen en bedrog. Ze wekken geen schuldbesef
en wenden de rampen niet af. Waardeloos zijn hun orakels, misleidend.
Roep met uw hart tot de Heer, de schutsmuur van Sion. Houd met wenen niet op,
geef aan uw ogen geen rust en de vrije loop aan uw tranen, dag en nacht.
Roep, geheel de nacht,, tot de Heer, stort uw hart als water uit. Bid, met de handen geheven,
dat uw kinderen leven, die nu op de hoeken der straten van honger verkwijnen.
Psalmen 74(73),1b-2.3-5.6-8.20-21.
Hebt Gij uw kudden nu voorgoed verstoten?
Mijn God, laait dan uw gramschap telkens weer op?
Denk aan uw volk, dat Gij U hebt verworven,
de stammen die Gij hebt gekocht als uw bezit,
de Sion die Gij U als woonplaats hebt gekozen.
Richt weer uw schreden naar die eindeloze puinhoop;
de vijand heeft al wat daar stond verwoest.
Waar wij U zochten schreeuwen nu uw tegenstanders
En plaatsen er hun standaard als trofee.
Zoals men met de aks
een weg baant door het oerwoud,
zo slaan zij nu met houweel en bijl uw poorten in.
Uw heiligdom heeft men prijs gegeven aan de vlammen,
de woonplaats van uw Naam op aarde is ontwijd.
Ze zeiden: laat ons alles tot de grond verwoesten,
uw heiligdommen werden platgebrand in heel het land.
Denk, Heer, aan uw verbond: de maat is vol
uit alle holen en spelonken loert de boosheid.
Stel het vertrouwen der verdrukten niet teleur,
laar armen en behoeftigen U loven.
Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 8,5-17.
In die tijd toen Jezus in Kafarnaüm aangekomen was,
kwam een honderdman naar Hem toe die zijn hulp inriep met de woorden:
'Heer, mijn knecht ligt verlamd in mijn huis en lijdt vreselijk pijn.'
Hij sprak tot hem: 'Ik zal hem komen genezen.'
Maar de honderdman antwoordde: 'Heer, ik ben het niet waard dat Gij onder mijn dak komt;
maar een enkel woord van U is voldoende om mij knecht te doen genezen.
Want al ben ik zelf een ondergeschikte, ik heb weer manschappen onder mij; en tot de een zeg ik:
ga, en hij gaat; en tot een ander: kom, en hij komt; en aan mijn knecht: doe dit, en hij doet het.'
Toen Jezus dit hoorde, stond Hij verwonderd en zei tot hen die Hem volgden:
'Voorwaar Ik zeg u: Bij niemand in Israël heb ik een zo groot geloof gevonden.
Ik zeg u, dat velen uit het oosten en het westen zullen komen en met Abraham en Isaak en Jakob zullen aanzitten in het Rijk der hemelen;
maar de kinderen van het Rijk zullen buitengeworpen worden in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.'
En tot de honderdman sprak Jezus: 'Ga, zoals gij geloofd hebt, geschiede u.'
En op datzelfde ogenblik werd de knecht gezond.
Toen Jezus in het huis van Petrus gekomen was, vond Hij diens schoonmoeder met koorts te bed liggen.
Hij raakte haar hand aan en zij werd vrij van koorts; zij stond op en bediende Hem.
Toen de avond gevallen was, bracht men veel bezetenen bij Hem; Hij dreef door een woord de geesten uit, en alle zieken genas Hij,
opdat in vervulling zou gaan wat door de profeet Jesaja gezegd was: Hij heeft onze zwakheden weggenomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.